dinsdag 9 februari 2010

nowaday

zondag 7 februari 2010

watersnippen




















wat een geluk in de kou
handen verkleumd zonder
iets, zonder een beetje jou
ongewoon treft het beeld
mij in stilte, in beleving
twee vogels poseren alsof
de winter is afgevallen, is
geslonken en de lente komt


zachtjes bungelen elzenkatjes
achter mij, het licht al langer 
af en toe gakken de ganzen
hoog boven mij in V-vorm
de vrouw daarna is zwanger


wat een geluk in de kou
bij dit ven, op dit uur, zonder
jou, twee vogels in strepen
riet wat nooit meer ritselen zal
dit gedicht ook niet begrepen



donderdag 4 februari 2010

mijn kind

dinsdag 2 februari 2010

Runde























de zee is in brand gevlogen, vissen
vluchten, er hangt een rooklucht op
het strand, stokvis hangt graag
droogt ook beter in de wind, het zout

dringt dan in de huid en het vlees
wordt kruidiger, hongerige visdiefjes
gaan gewoon voorbij, vallen niet aan
zij gunnen de vis het droger worden

daar is de vrouw die met manden en
doeken de zeevruchten komt halen, zij
praat met de vogels, er vallen tranen
naar beneden, rode tranen op haar huid

de zee verdrinkt in haar eigen vuur
terwijl zij het kermen van de sterns
boven de geplukte stokken aanschouwd
maanlicht nog witter schijnt dan gisteren










zondag 31 januari 2010

Natuurbeleving in Zuid-Limburg, een impressie






























woensdag 27 januari 2010

blauwtjes


















ik herinner mij het blauwtje nog
op die vroeg morgen, toen jij
door het natte gras al krom
gebogen en vol verwondering
naar de pracht keek om je heen
jij was nog mooier, geen heuvel
liep stijler dan jij naar beneden
je toegewijde armen, zo lang
troffen steeds mijn uitzichten, zo

wijds en blij was je verbazing in
het landschap verdronken, wij
liepen van klaproos naar klaver
spraken de geelgors aan, och

hoe heerlijk maar ook vol heimwee
mis ik nu al dat nieuwe voorjaar
omdat de blauwtjes niet meer
op zullen vliegen van jouw lach

maandag 25 januari 2010

winterakkerse gedichten ( 3 en slot )

















het zouden toch de sneeuwganzen moeten zijn
die afgestoken tegen de dorpen hun vluchten als
soldaten met een helm op en sabel in de aanslag
in formatie aan het grijze landschap verbannen


waar einders beginnen groeit meestal de hoop, is
het verzamelen de moeite waard, spreken beelden
die je samen deelt door de horizonten heen, valt
een morgen niet slechts zelden open op een plek


kijk mijn leger daar staan, een uitkijkpost op kop
kreken blinken als ijzige linten tussen roestig riet
als het even kraakt gaat de formatie de lucht in
met volle bepakking, de sabels langs de flanken


in scheervlucht passeren zij Opitter, stijgen hoog
om snelheid te maken, een V-formatie waardig
klaar om over velden en huizen in haakse bochten
het einde van de winter aan te kondigen, wit door


groen en licht door donker en dan weer andersom
opdat wij beneden wakker blijven, gaan zaaien in
de bedden, bloemen knuffelen en liefdes erven van
ooit voorspelde leugens, nooit gekende waarheden








































zaterdag 23 januari 2010

kamerlinde in rouw






















na bijna een jaar is de krimp
een feit, het dansen rond zijn
robuuste vorm, het aanraken
van bladeren niet meer gewoon


in de kamer klinkt een hymne
er hangt een voelbaar afscheid
knarsetandend spreekt mijn maag
maar durft niks te zeggen als
zij binnenkomt, als een zomerfee
dwarrelt zij rond de laatste avond
zonder elkaar, zonder een kus of
het moet op een stil sterven lijken


de linde zal weer verplaatst worden
vlakbij het oude raam, in de zon
zij zal met fluwelen hand zijn bladeren
plukken en wrijven tot de ander komt






donderdag 21 januari 2010

blauwe tranen


zoals parels in een blauw decor
gemaakt voor jou als bloeiaar
tranen aan het uiteinde, zoals
jij voor mij uit wandelde of soms
achter mij in verbazing keek naar

een nieuwe bloem, schoonheid
in je ogen mij verwarmde, hoe
stil ik werd tijdens het omkijken
jij niet zag wat mijn hart zo bewoog

gentiaan en zonnedauw, zeldzaam
en beschermd bij elkaar, oog in
oog met jou, ik weet dat je dit leest
terug zult gaan naar de blauwe weide

stap dan in een voetafdruk en voel
hoe arme aarde klinkt, luister even
naar de viervlek bij de ronde poel
kijk om, zó zag mijn liefde er toen uit






woensdag 20 januari 2010

na jou..












zij kleeft aan mijn natte jas
de nacht kijkt onmachtig
ik mis haar, ik mis haar zo
de stenen tel ik niet meer
lopen, lopen, van het een
naar het ander, half vier..


mensen gaan naar huis
soms denk ik dat ik ze zag
even voorbij, een glimp
het zijn meer verbeeldingen
zoals ik haar dacht gaan


zij schreeuwt in haar hart
mijn aanwezigheid leeg
kermt met koude handen
en onmacht haar liefde uit
het houden van op de lippen


is voorbij, er heerst winter
in de geest, het denken is
verdoofd,  haar mooi zijn in
dofheid en droefheid verstomd
ik beef voor haar, doorlatend


komt de zwakke morgen op
ik mis haar, ik wil dood, zij
zal lezen in haar slaap, tussen
de warme lakens, niet minder
eenzaam, tot aan de lente..

er is nog leven, gelukkig maar
zij danst weer om zich heen
met tranen op haar lange armen
voorover op haar tenen, zo
zal ik haar koesteren, na jou..